Veiligheid
Als u gevaarlijke stoffen (<10.000 kg) heeft opgeslagen, dan dient u zich te houden aan een aantal regels. Deze eisen staan in de milieuvergunning of het sinds 1 januari 2008 van kracht geworden Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, kortweg het Activiteitenbesluit.
Eisen
De eisen voor de opslag van gevaarlijke stoffen staan in de Publicatiereeks Gevaarlijke stoffen 15 (PGS 15): Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen. De PGS 15 is de opvolger van de CPR 15 richtlijnen. In de PGS 15 worden gevaarlijke stoffen geclassificeerd op basis van de vervoerswetgeving (ADR) in plaats van de Wet milieugevaarlijke stoffen. Hierdoor vallen irriterende en schadelijke stoffen veelal niet meer onder de nieuwe regelgeving. Verder is de PGS 15 van toepassing op spuitbussen en gasflessen. U kunt een digitale versie van de PGS 15 downloaden van de website van het ministerie van VROM: www.vrom.nl
Welke gevaarlijke stoffen vallen onder de PGS 15?
De PGS 15 is bedoeld voor het opslaan van de meest voorkomende, verpakte gevaarlijke stoffen zoals (licht)ontvlambaar, toxisch, giftig, corrosief, oxiderend en de CRM-stoffen (Carcinogeen, Reprotoxisch en Mutageen). Ook kan deze richtlijn worden gebruikt om een opslagplaats voor chemische afvalstoffen op milieuhygiënisch verantwoorde wijze in te richten. In deze richtlijn zijn eveneens voorschriften opgenomen voor de veilige opslag van gasflessen.
De voorschriften van deze richtlijn kunnen van toepassing zijn op zeer uiteenlopende categorieën van bedrijven of instellingen, zoals galvanische bedrijven, drukkerijen, productiebedrijven, chemicaliënhandel, laboratoria, scholen en opleidingsinstituten, garages, opslagbedrijven etc.
Wat valt niet onder de PGS 15?
Over het algemeen vallen smeer en motoroliën niet onder de werkingssfeer van de PGS 15. Dit komt doordat het vlampunt van deze stoffen vaak boven de 55o Celsius ligt. De richtlijn is ook over het algemeen niet van toepassing op de aanwezige gevaarlijke stoffen in verkoopruimten en de opslag van bestrijdingsmiddelen. Ten aanzien van verf en andere viskeuze stoffen geldt de volgende uitzondering. Viskeuze stoffen met een vlampunt tussen 21°C en 55°C - die volgens de criteria van de vervoerswetgeving (ADR) als niet-ontvlambaar worden beschouwd - vallen eveneens niet onder de werkingssfeer van de PGS 15. Dit laatste moet echter wel aangetoond worden.
De gevaarlijke stoffen worden afhankelijk van de belangrijkste gevaren van die stof in klasse conform de vervoerswetgeving, (ADR) ingedeeld. In de onderstaande tabel zijn de ADR klasse weergegeven met enkele voorbeelden van gevaarlijke stoffen.
|
ADR-klasse |
Omschrijving |
Voorbeelden |
|
1 |
ontplofbare stoffen en voorwerpen |
zwart buskruit, springstoffen, ontstekers, vuurwerk |
|
2 |
Gassen |
propaan, zuurstof, stikstof, argon, kooldioxide, acetyleen, aerosolen (spuitbussen) |
|
3 |
brandbare vloeistoffen |
bepaalde oplosmiddelen, inkten, harsoplossingen, aardolieproducten |
|
4.1 |
brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet explosieve toestand |
wrijvingslucifers, zwavel, metaalpoeders
|
|
4.2 |
voor zelfontbranding vatbare stoffen |
fosfor (wit of geel), diethylzink |
|
4.3 |
stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen |
stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen magnesiumpoeder, natrium, calciumcarbide |
|
5.1 |
oxiderende stoffen |
kaliumpermanganaat, natriumchloraat |
|
5.2 |
organische peroxiden |
dicumyl peroxide, di-propionyl peroxide |
|
6.1 |
Giftige stoffen |
chloroform, arseen, kaliumcyanide, pesticiden |
|
6.2 |
Infectueuze stoffen (besmettelijke stoffen) |
bacteriën, virussen, parasieten, schimmels, ziekenhuisafval |
|
7 |
Radioactieve stoffen |
uranium-238, kobalt-60 |
|
8 |
bijtende stoffen |
natriumhydroxide, zwavelzuur, zoutzuur |
|
9 |
diverse gevaarlijke stoffen en voorwerpen |
polychloorfenolen, lithiumbatterijen, aquatoxische stoffen, genetisch gemodificeerde organismen |
Hoe herkent u gevaarlijke stoffen?
Op de productinformatiebladen van gevaarlijke stoffen kunt u de gevaarsclassificatie op basis van de vervoerswetgeving terugvinden. Dit staat meestal vermeld onder nummer 14 van het productinformatieblad. Als u niet beschikt over een productinformatieblad kunt u dat altijd opvragen bij de leverancier. Ook op de website www.msds.nl. kunt u de gevaarsclassificatie opzoeken.
Betekenis symbolen
Op de verpakking van gevaarlijke stoffen is altijd een gevaarssymbool aangebracht. De
volgende symbolen kunt u aantreffen:
Wanneer geldt de PGS 15?
In de onderstaande tabel zijn de ondergrenzen en vrijstellingen weergegeven waarvoor nog geen eisen worden gesteld. Dit is afhankelijk van de aard van de stoffen en de verpakkingsmethode. Hierbij geldt echter wel het sommatiebeginsel. Dit betekent dat als u een aantal stoffen heeft - die separaat niet onder de PGS 15 vallen - het toch noodzakelijk kan zijn om een goede opslagvoorziening te realiseren.
|
Gevaar conform de klasse zonder bijkomend gevaar** |
Verpakkinggroep |
Ondergrens / vrijstelling in kg of liter |
|
Alle klassen en de CMR stoffen |
I |
1 |
|
2 (UN 1950 Spuitbussen & UN 2037 Houders, klein, gas) |
n.v.t. |
50 |
|
3 |
II |
25 |
|
3***** |
III |
50 |
|
4.1, 4.2, 4.3 |
II en III |
50 |
|
5.1 |
II en III |
50 |
|
5.2 |
II en III |
*** |
|
6.1 |
II en III |
50 |
|
6.2 categorie I3, I4 |
II en III |
50 |
|
8 |
II en III |
250 |
|
9 |
II en III |
250 |
|
Totaal |
- |
50 |
|
2 (Gasflessen) |
n.v.t
|
115 liter waterinhoud |
* Voor de interpretatie van kg of liter, zie paragraaf 1.9. Bij overschrijding is PGS 15 van toepassing. Voor verpakking die onder het regime van gelimiteerde hoeveelheden (LQ) vallen (zie hoofdstuk 3.4 van het ADR) geldt een aanvullende vrijstelling tot in totaal de dubbele hoeveelheid van de in tabel 3 genoemde hoeveelheid. Deze aanvullende vrijstelling geldt alleen indien de stoffen in de transportverpakking zijn opgeslagen.
** Voor stoffen met een bijkomend gevaar is de laagste ondergrens / vrijstelling bepalend.
*** CPR 3 kent geen ondergrens.
**** Indien er sprake is van verschillende stoffen waarvoor verschillende ondergrenzen gelden, moet de ondergrens voor de totale hoeveelheid gevaarlijke stoffen naar rato worden berekend.
***** Voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen van de klasse 3 geldt dat alcoholhoudende dranken in consumentenverpakking en dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61 ºC en 100 ºC in deze richtlijn niet worden beschouwd als stoffen van de klasse 3. Evenzo worden stoffen met UN-nummer 3256 (verwarmde brandbare vloeistof) in deze richtlijn niet beschouwd als een brandbare vloeistof van de klasse 3. Tenslotte bepaalt het ADR dat niet giftige en niet bijtende viskeuze oplossingen en homogene mengsels met een vlampunt van 23°C en hoger, niet zijn onderworpen aan de voorschriften van het ADR (ADR 2.2.3.1.5) (zie hoofdstuk 10 Begrippenlijst: viscositeitregel ADR).
Opgemerkt moet worden dat hoeveelheden van gevaarlijke stoffen die de voornoemde ondergrenzen niet overschrijden wel verantwoord moeten worden opgeslagen. Dat wil zeggen dat opslag niet op de werkvloer mag plaatsvinden tenzij het gaat om een hoeveelheid die als werkvoorraad mag worden aangeduid.
Brandveiligheid
De opslag van gevaarlijke stoffen, met uitzondering van corrosieve stoffen, moet brandveilig plaatsvinden. Dit betekent dat de stoffen in een brandwerende ruimte moeten worden opgeslagen. Voor kleinere hoeveelheden kan men een brandveiligheidkast aanschaffen. Afhankelijk van de brandwerendheid van de kast kan 150 liter (30 minuten wdbdo*) tot 250 liter (90 minuten wdbdo) worden opgeslagen. Deze kasten zijn vaak bij speciale leveranciers te bestellen. Let erop dat de kast geplaatst en onderhouden wordt conform de gestelde NEN-normen zoals die terug te vinden zijn in de PGS 15.
*wdbdo= weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag
Compartimentering van gevaarlijke stoffen
Gevaarlijke stoffen mogen niet allemaal bij elkaar worden opgeslagen. Als er bij het samenkomen van twee stoffen gevaarlijke situaties kunnen ontstaan -omdat de stoffen op elkaar reageren- moeten deze apart worden opgeslagen (gecompartimenteerd). Bij een aantal combinaties van stoffen kan namelijk gevaarlijke gassen of dampen ontstaan.
Een paar voorbeelden van niet toegestane combinaties zijn:
- zuren bij logen, cyaniden of sulfiden
- zuren bij chloriet- of hypochlorietoplossingen
- salpeterzuur bij mierezuur, azijnzuur of formaldehydeoplossingen
Compartimentering van stoffen kunt u bijvoorbeeld bereiken door het aanbrengen van lekbakken.
Explosieveilige verlichting
In kluizen waarin (licht ) ontvlambare stoffen worden opgeslagen of anderszins gevaar voor het ontstaan van een explosief mengsel bestaat, dient de verlichting explosieveilig te worden uitgevoerd.
Ventilatie
Een manier om te voorkomen dat er een gasmengsel ontstaat is het voldoende ventileren van de opslagvoorziening. Dit kan door middel van mechanische- of natuurlijke ventilatie. Het ventilatiesysteem mag geen afbreuk doen aan de brandwerendheidseisen.
Persoonlijke beschermingsmiddelen
De personen die met deze gevaarlijke stoffen werken dienen over voldoende beschermingsmiddelen te beschikken. Dit kan een nooddouche, oogspoelvoorziening of andere beschermende voorzieningen zijn zoals handschoenen, beschermingsbril etc.
Meer informatie?
Hierboven is een samenvatting gegeven van de meest belangrijke eisen voor de opslag van gevaarlijke stoffen. Dit is echter geen volledig overzicht van alle eisen en dient slechts als voorlichting. U kunt hier geen rechten aan ontlenen. Indien u meer informatie wenst kunt u terecht bij de heer R. Savelkoul van de afdeling Veiligheid en Handhaving. Hij is bereikbaar via telefoonnummer: 0499-360 911.
